Wat is trombose?

In Nederland krijgen naar schatting 32.000 mensen per jaar een “diep veneuze trombose”, ofwel een verstopping in een van de aders van het lichaam. Bij een verstopping van een longslagader noemen we het een ‘longembolie’. Trombose ontstaat door bloedstolsels die zich aan de binnenkant van de aders hebben vastgezet. Als een gedeelte van het bloedstolsel loslaat van de vaatwand, kan het met de bloedstroom mee naar andere delen van het lichaam en daar een bloedvat verstoppen. Als dit in de longen gebeurt, heet dit een longembolie. In Nederland krijgen naar schatting 32.000 mensen per jaar een “diep veneuze trombose”, ofwel een verstopping in een van de aders van het lichaam. Bij een verstopping van een longslagader noemen we het een ‘longembolie’.

De klachten zijn heel verschillend voor trombose en longembolie. Als u een trombose hebt in uw been of bekken, kunt u een rood, gezwollen en pijnlijk been hebben, maar ook wat minder duidelijke verschijnselen kunnen het gevolg zijn van trombose. Het gaat daarbij meestal om pijnverschijnselen die lijken op spierscheuringen (zweepslag) en verrekkingen. Als u een longembolie hebt, krijgt u het benauwd en/of hebt u pijn bij de ademhaling.

Bloedvaten, stolling en antistolling
Bloed vervoert zuurstof, voedings- en afvalstoffen door het lichaam via de bloedvaten. Er zijn drie soorten bloedvaten: slagaders (arteriën), aders (venen) en haarvaten. Vanuit de longen stroomt het zuurstofrijke bloed naar de linker harthelft. Van daaruit wordt het via de slagaders naar de verschillende delen van het lichaam vervoerd. In de organen en uiteinden van het lichaam bevinden zich de kleine bloedvaten: de haarvaten.
In de haarvaten vindt uitwisseling plaats van zuurstof en voedingsstoffen naar de weefsels. Vanuit de weefsels komen afvalstoffen en koolzuurgas terug in de haarvaten. Dit zuurstofarme, afvalstoffenrijke bloed stroomt vervolgens terug naar de aders, die het weer naar het hart vervoeren. De rechter harthelft pompt het bloed vervolgens via de longslagader naar de longen, waar koolzuurgas wordt afgegeven en zuurstof wordt opgenomen.

In de aders zitten kleppen die voorkómen dat het bloed de verkeerde kant op stroomt.We hebben meer aders dan strikt noodzakelijk. Als er één ader uitvalt, neemt een andere zijn functie over. Zuurstofarm bloed vindt dus altijd wel een weg door het lichaam. Het stromen van bloed is een levensvoorwaarde. Maar als we een wond oplopen, moet bloed juist zo snel mogelijk stollen om teveel bloedverlies te voorkomen. Bloedstolsels kunnen soms ook in een bloedvat ontstaan, zonder dat er een wond is. Bloed stolt door de zogenaamde stollingsfactoren: bloedplaatjes, stollingseiwitten en speciale enzymen. We noemen dat het stollingssysteem.

Ons lichaam heeft ook een antistollingssyteem. Dit zorgt ervoor dat de stolling beperkt blijft tot waar die nodig is of als er binnen de bloedsomloop bloedstolseltjes ontstaan. Als dat gebeurt, activeert het lichaam het antistollingssysteem. Dit breekt het stolsel af, of ten minste een deel ervan, en voorkomt zo dat het stolsel te groot wordt en een bloedvat afsluit. Bloedstolling en antistolling zijn reacties van enzymen op andere stoffen.
In een gezonde situatie zijn de stollings- en antistollingssystemen in evenwicht en zijn de wanden van de aders glad.

Bron: Folder Trombose en longembolie - Nederlandse Hartstichting

afdrukkenAfdrukken